« Schrijf eens alsof je praat: voor meer sprekende teksten»

Gepubliceerd op 04-01-2022

Het voelt zo anders: spreken en schrijven. Want waar de woorden meestal al je mond uit zijn voordat je er goed over na hebt gedacht (bij mij dan toch), gaan we voor het papier toch vaak wat langer op zoek naar een paar weloverwogen woorden. En dat is eigenlijk jammer. Het geschrevene wordt er namelijk een stuk terughoudender van. Formeler en afstandelijker ook. Wil je een spontane tekst die van het papier (of scherm) af knalt, kun je dus maar beter gewoon zeggen waar het op staat - en dát opschrijven. 

Het is dé schrijftip die ik je op voorhand al mee wil geven: spreek hardop uit wat je schrijft. Bij voorkeur vóór je het opschrijft èn daarna. Het helpt je niet alleen de kleine foutjes op te sporen, maar laat ook meteen horen waar het wringt. Bekt ’t niet lekker? Schrap dan maar gerust. Waarschijnlijk is je zin in dat geval te complex om in de mond te nemen, laat staan dat je lezer deze in zich op gaat nemen. Vertel het dus. Dat helpt. Om meerdere redenen…

Ben je bewust van de interactie met je lezer

Schrijven ìs vertellen. Maar dan op papier. Want waar je voor een gesprek minimaal twee mensen nodig hebt… heb je dat voor het geschreven woord toch eigenlijk ook? Jij schrijft, weer een ander leest. Anders hoef je het ook niet op te schrijven. 

En nee, er is geen directe interactie. Dat klopt. Niemand die je direct tegenspreekt, vragen stelt of op een andere manier jouw schrijven een bepaalde kant op kan sturen. Maar er komt wel degelijk interactie tot stand. Zelfs als er helemaal geen reactie gegeven wordt. Misschien niet waarop je gehoopt had, maar het zegt genoeg!

Geef je tekst dialoogkracht

Als je eenmaal door hebt dat je eigenlijk gewoon een dialoog aan het voeren bent - mét interactie dus - kun je je tekst gericht meer dialoogkracht mee gaan geven. Hoe? Bijvoorbeeld door af en toe een vraag te stellen. Toch? Doordat je je lezer hiermee direct aanspreekt houdt je hem wakker én betrokken bij je boodschap. Bovendien schep je de gelegenheid tot een lezer die zelf na gaat denken en actief een mening gaat vormen over wat jij allemaal schrijft. 

Een andere simpele truc bestaat uit zinnen die niet helemaal compleet zijn. Zinnen die bijvoorbeeld geen onderwerp en/of werkwoord bevatten. Máár: de ontbrekende woorden zijn wel makkelijk uit de context af te leiden. Opnieuw houdt dat de lezer scherp. Oplettend. En dus ontvankelijk voor jouw boodschap.

Zet de toon in je allereerste zinnen

Afijn, jouw tekst moet dus nu in ene een dialoog worden tussen lezer en schrijver. Een perspectief waarin ook de lezer plots een beetje inbreng krijgt. En die lezer is kritisch. Heeft weinig tijd en veel te lezen waarschijnlijk. Zie je het belang van de eerste zinnen? Cru-ci-aal!

Bij aanvang van je tekst zal de lezer namelijk vragen hebben; wie schrijft me, waarom, wat én - onderschat deze vraag niet - wat heb ìk hier aan? Aan jou om daar een antwoord op te formuleren. Liefst snel. En duidelijk. Probeer dus in je eerste zinnen direct te verwoorden wat het concrete voordeel voor je lezer is. Prikkel zijn of haar nieuwsgierigheid. Geef motivatie om verder te lezen. 

Ga voor eenvoud & variatie

Extra gouden tip: ga voor eenvoudige zinnen. Zodat het je lezer in ieder geval geen moeite kost om te lezen. Maak je woorden toegankelijk. Dat nodigt - zeker in de eerste zinnen - uit: hé, psst, jij daar, ik heb een aangename manier van schrijven, lees vooral verder. 

Daarbij: varieer. Begin elke zin op een andere manier. Want steeds als er iets nieuws in je tekst te ontdekken valt, trek je je lezer daarmee óver de punt. Zin voor zin. Richting het einde van je verhaal. 

Betrek je lezer in je verhaal
Simpel, door ‘m aan te spreken

Nu, stel je eens voor dat je je middenin een druk stadscentrum bevindt. Plots hoor je je naam. Dikke kans dat je je spontaan omdraait om te zien wie je roept en waarom. Precies zó werkt het ook als je schrijft. Spreek je lezer aan. Letterlijk. Met naam en toenaam of persoonlijke voornaamwoorden. Op die manier betrek je je lezer daadwerkelijk in je verhaal.

Vertel gerust hoeveel klanten er al een beroep gedaan hebben op jou, maar vertaal dat naar een u- of jij-perspectief: 200.000 klanten gingen je voor. Bijvoorbeeld. Natuurlijk mag het ook over jou gaan - over je product of organisatie - maar zorg tenminste voor meer jij dan wij. Hoe sneller de eerste ‘u’ of ‘jij’ komt, hoe meer respons je doorgaans krijgt.

Kanttekening: te veel is irritant, ken je moment

Probeer het gewoon eens. Spreek je lezer eens aan. Stel ‘m eens een vraag. Subtiel. Want zoals met alles waar ‘té’ voor staat: het kan ook irritant worden. Onnatuurlijk. En dat pikt je lezer snel genoeg op. Jij ook trouwens. Mits je je tekst zelf nog een keer hardop naleest. Voelt dat vreemd? Dan weet je wat je te doen staat! 

Al moet je daarbij ook het volgende in overweging nemen: niet alle teksten lenen zich hiervoor. Je spreekt je lezer bijvoorbeeld wèl aan wanneer je advies of een instructie wil geven, maar het is minder gepast het woord direct tot je lezers te richten in het geval van gevoelige boodschappen. 

Zodoende gaat het opnemen van de lezer in je tekst niet over goed of fout. Soms is er júíst een bepaalde afstand nodig om de boodschap over te brengen. Weinig persoonlijk, maar niet per se verkeerd.

‘U’ of ‘jij’? Dat bepaal… jij!

Maak je tot slot niet te druk over tutoyeren of niet. Iemand die daarover twijfelt, zet tenminste al wel de lezer centraal. Toch wil ik je ook hier alvast een beetje op weg helpen.

Onderzoek zegt dat de keuze tussen ‘je’ en ‘u’ vooral bestaat uit drie onderdelen:

  • Het karakter van het gesprek (formaliteit)
  • De maatschappelijke positie (status)
  • En elkaars gelijke zijn (solidariteit)

Heeft jouw tekst baat bij een beetje afstand? Zeer waarschijnlijk ga je dan beter ‘u’ toepassen. Toegankelijkere en open teksten gaan op hun beurt beter gepaard met de je/jij-vorm. Klinkt (en voelt) direct ook een stuk enthousiaster en amicaler, vind je niet? Wat je ook doet, wees er wel consequent in!

schrijven-01641305027.jpg