« Wie niet horen wil, moet maar... juist!»

Gepubliceerd op 29-07-2021

Verhalen. Ze zijn van onschatbare waarde voor merken.
Dat ga ik je niet uitleggen, dat wil ik je vooral laten voelen. Door je mee te nemen in een fragment uit de Contentbijbel. Met aan het woord niemand minder dan Cor Hospes:

“Het bombardement. Een verfilming van het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940. Vlak voor de première verschijnen veel artikelen en reportages over Rotterdammers die het bombardement écht mee hebben gemaakt. Eén van die gesprekken hoor ik op Radio 1. 

Vijftien is CDA-minister Til Gardeniers. Zij loopt juist van huis aan de Rodenrijselaan om boodschappen te doen als die dag het eerste luchtalarm loeit. Even schuilt ze in een portiek, maar al snel loopt ze weer verder. 

Niet veel later klinkt echter het tweede luchtalarm en begrijpt ze direct: dit is menens! Boven haar hoofd hoort zij vliegtuigen heel langzaam vliegen, zwaar beladen met bommen. En al snel hoort zij die vallen, hoort ze veel bommen vallen. 

Ze rent snel terug naar huis. ‘Tja, dat doe je dan’, vertelt ze ietwat lachend. ‘Ik had ook helemaal niet het gevoel dat die bommen voor óns bestemd waren. Voor de inwoners van ónze stad.’ En ook haar vader stelt haar gerust: ‘Als ze komen, dan willen de Duitsers direct naar de havens.’ En gelukkig, die liggen ver van haar huis verwijderd. Maar het doel van de Duitsers zijn niet de havens, maar het centrum van de stad. Ze willen het hart van de stad platbombarderen. 

Nadat de bommenregen is gaan liggen, loopt Til naar buiten. Samen met haar vader. Naar de Hulpbrug, de brug die de Bergweg verlengt over de Schie. ‘Het was niet te geloven hoe kort we slechts hoefden te lopen voordat we het zagen: overal lag puin. O nee, we hadden beiden niet verwacht dat het zó erg zou zijn…’ 

Samen kijken ze naar het centrum van Rotterdam. Alles is vlammen, rook en puin. ‘Mijn Rotterdam,’ hoort ze haar vader mompelen, terwijl er een traan over zijn wang rolt. Het is de eerste keer dat ze haar vader ziet huilen. Beiden kunnen geen woord uitbrengen. ‘Ja, natuurlijk hadden we al bombardementen gezien in de maanden ervoor,’ vertelt ze. ‘Want de Duitsers hadden al van alles gedaan. In Oostenrijk en zo. Maar ineens was het een feit. Dit was ónze stad, en we zaten midden in de oorlog.’

Ik parkeer de auto langs de kant van de weg en luister naar hoe Til haar verhaal vervolgt. Die vertelt dat zij met haar vader terugloopt naar huis, maar dat zij al snel weer opnieuw richting de stad wil: ‘Ik ging elke zaterdag met mijn vader naar de stad. Ik was een uitgesproken stadskind. Ik wilde het zien, want ik kon niet geloven dat het weg was.’ Via het verlengde van de Rodenrijselaan loopt zij richting het centrum. ‘De schok kwam niet tijdens het bombardement,’ herinnert ze zich, ‘maar toen ik in de Noordmolen straat kwam en me realiseerde dat daarachter geen huizen meer waren.’

Slachtoffers ziet Til later pas. Als ze de stad in gaat. ‘In de Jonker Fransstraat wordt iemand gillend onder het puin vandaan getrokken. Er liggen mensen op straat. Dood. Veel lijken.’ Het is de eerste keer dat ze lijken ziet, maar ze realiseert zich op dat moment niet eens dat het dode mensen zijn. 

‘En dan loopt er een mevrouw langs me heen. Met in haar hand een vogelkooitje waarvan het deurtje open staat. Zij zegt niets. Loopt wezenloos voor zich uit. Kijkt omhoog de lucht in en loopt weer rechtdoor. Dat beeld is mij altijd bijgebleven en ik kan het ook zó weer voor me zien,’ vertelt Gardeniers. ‘Die mevrouw is haar huis uitgelopen, met dat vogelkooitje. Het vogeltje is weg.’

Ik zie dat beeld ook. Nee, ik ervaar dat beeld ook. Want ik sta in het Rotterdam van 14 mei 1940. Tussen de smeulende puinhopen van de stad. Ineens is het bombardement voor mij geen datum meer in een geschiedenisboekje, maar een verdwaasde mevrouw met een leeg vogelkooitje in haar handen geklemd. Tussen de gebombardeerde huizen, de lijken, de paniek en het gegil. Ik ruik en voel de pijn van de stad en samen met Til kijk ik de mevrouw met het vogelkooitje na, terwijl ze van ons wegloopt. Het weggevaagde centrum van Rotterdam tegemoet…”

Dát is wat een verhaal kan doen. Het kan je moeiteloos verplaatsen van hier naar daar. Zonder fysiek ook maar één stap te verzetten. Zo kan het zomaar zijn dat je ineens bent, waar de verteller je mee naartoe genomen heeft. Dat jij meemaakt wat de verteller heeft meegemaakt. En als jij dat - op jouw beurt - goed weet over te brengen op jóúw publiek, gaan ook zij dat helemaal voor zich zien.

1360540-vogelkooi-foto-1627561634.jpg